Bovenstaande oorkonde werd uit naam van Edelhert Hubertus op 15 mei uitgereikt aan leden van de Flrorawerkgroep ter gelegenheid van hun 80.000e waarneming. Uiteraard ging het daarbij niet alleen om het aantal waarnemingen, maar vooral om de inhoud daarvan: Wat zag men waar en wanneer was dat ook al weer?


De oudste gegevens in de databank van de Florawerkgroep zijn afkomstig uit een rapport van Willemsen (1987). Daarin werden floristische gegevens uit de periode 1959-1964 verzameld door Ir. S. van der Werf (Rijksinstituut voor Natuurbeheer) vergeleken met gegevens van de Plantenwerkgroep verzameld in de periode 1977-1984. In die vroegere periodes (‘1960’ en ‘1980’) betrof het vooral ontdekkingsreizen met als vraag: Welke soorten vaatplanten komen er eigenlijk voor in het Nationale Park De Hoge Veluwe? Want wat betreft de flora, was het Park toen eigenlijk nog ‘terra incognito’. Bij die eerste verkenningen werd soms alleen de presentie van soorten binnen het Park aangegeven, maar meestal werd toch ook wel aangeduid welke deelgebieden van het Park het betrof en konden waarnemingen aan km-hokken worden toegewezen door locaties af te lezen van topografische kaarten. De gegevens werden opgeslagen in een kaarten­baksysteem.


Eén van de vroegere activiteiten (1984) van de Florawerkgroep betrof ook het opnemen van de vegetatie van de Schapenwei en Veentjeswei. Met de bedoeling om de effekten te registreren van het in 1983 stoppzetten van bemesting en begrazing. Met vizierkompas en ruitjespapier werden toendertijd nog kaartjes gemaakt van de opnameplekken en in een gestencild rapport gepresenteerd.

Wat een verschil met de huidige technieken, waarbij soortwaar­nemingen worden vast­gelegd met GPS, met GIS-programma’s worden gekoppeld aan beheergebieden binnen het Park en bij het maken van verspreidings­kaartjes een computer-commando ‘KIES SOORT’ en dan nog een opdracht ‘PRINT’ al volstaat.


En kunnen die 80.000 waarnemingen ons iets vertellen over de floris­tische biodiversiteit in het Park gedurende de laatste 60 jaar? Omstreeks 1960 werden door van der Werf 444 soorten waargenomen in het Park. Door Willemsen werd geconcludeerd dat er omstreeks 1980 weliswaar 57 soorten voor ‘t eerst werden waargenomen in het Park, maar dat 155 soorten niet meer werden gezien. De algemene con­clusie was dat de soortenrijdom in het Park sterk was afge­nomen. Maar was dat nou echt wel zo dramatisch als het toen­tertijd leek?

Het heel simpele antwoord luidt nee. Onderstaande grafiek toont het totaal en het per jaar waargenomen aantal soorten (blauw). Het aantal soorten waargenomen sinds voorafgaande jaren tot een bepaald eind­tijdstip is weergegeven met groene lijnen.


Van de omstreeks 1980 niet meer waar­ge­nomen soorten (155) werden er daarna 133 toch nog wel terug­gevonden.

Bij de 22 soorten die sinds 1960 niet meer werden waargenomen gaat het onder meer om in Nederland zeldzame verschijningen als Vlozegge, Voorjaars­zegge en Oeverkruid.

Sinda 1980 werden onder meer Stofzaad, Rozenkransje, Bleekgele hennepnetel en Fraai hertshooi niet meer waargenomen.


Tot 1980 stond de teller voor de ooit waargenomen soorten op 497, nu inmiddels op 865. Een onderscheiding waard.

Dat is vooral toe te schrijven aan de na 2010 veel intensievere waarnemings­intensiteit.

Tot de voor ’t eerst sinds 2000 waargenomen soorten behoren o.a. Trilgraszegge, Lathyruswikke, Nachtkoekoeksbloem, Grote keverorchis en Dennenorchis!