Tekst: Jan Bokdam, coördinator.

Al vroeg in het jaar begon het seizoen voor de Florawerkgroep. Vanaf januari werd weer gestart met de tweewekelijkse bijeenkomsten en werden twee nieuwe leden en een aspirant-lid in de groep verwelkomd. In deze tijd kwam de flora ook weer tot leven. De eerste vroegbloeiers, aankondigers van het voorjaar, zoals Winteraconieten, Sneeuwklokjes en Crocussen kleurden alweer op veel plekken de aarde. Inmiddels worden ze alweer opgevolgd door o.a. Maarts viooltje, Bosanemoon en Gulden Sleutelbloem.  


Vroegbloeiers

Veel van deze vroegbloeiers zijn stinsenplanten. Ze werden vanaf de 16-de eeuw ingevoerd uit zuidoost Europa om parken en tuinen op te fleuren. Inmiddels zijn ze ingeburgerd en handhaven en verspreiden zich zonder hulp van de mens . Op de Hoge Veluwe komen stinsenplanten mondjesmaat voor op oude bewoningsplekken met bomen zoals Oud-Reemst, de Pampel, het Jachtslot Sint Hubertus en de Kemperberg. De grootste soortenrijkdom vinden we in de beeldentuin van het Kröller-Müller Museum. De vroege bloei stelt deze bolgewassen in staat onder de nog bladloze bomen en struiken te profiteren van licht en voedingstoffen om zo binnen enkele maanden reserves in hun bollen weer aan te vullen na de voortplanting. Na herstel kunnen ze met een gerust hart afscheid nemen van hun bovengrondse groene delen. ’s Zomers valt er onder het dichte bladerdek en op de droge bosgrond weinig te produceren. De voorjaarsflora gaat ondergronds en staat zijn plek boven de grond af aan enkele specialistische zeer schaduw- en droogtetolerante soorten. Deze soorten krijgen in de herfst gezelschap van de vruchtlichamen van paddestoelen die het jaar rond met hun mycelium in de grond of andere substraten actief zijn. Planten zijn goed in time sharing , maar ook in het benutten van verschillende bodemdiepten en substraatcomponenten. Nichedifferentiatie vermindert de concurrentie.


Nieuwe soorten

In onze winterbijeenkomsten hebben we aandacht besteed aan rapportage, evaluatie en planning. In 2018 werden ondanks of misschien dankzij het droge weer toch opzienbarende eerste vondsten in het Park gedaan. De mycologen vonden de Valse teerplekkenzwam (Ischnoderma resinosum) en twee soorten die zelfs nieuw voor Nederland bleken te zijn en die dus nog geen Nederlandse naam hebben: een Kussentjeszwam (Hypocrea lutea) en een Gaatjestrilzwam (Aporpium canescens, zie foto hierboven). De korstmossengroep vond na een periode van afwezigheid opnieuw het zeldzame en fotogenieke Rijstkorrelmos terug in het Park (zie foto boven het artikel). Op een van de akkers werd de in Nederland extreem zeldzame Rodelijstsoort Nachtkoekoeksbloem aangetroffen.


In het komend seizoen gaan we o.a. veel aandacht besteden aan droge hei-schrale graslanden, een prioritair Natura2000-habitat, waarvoor het Park grote verantwoordelijkheid draagt. De Florawerkgroep is betrokken bij het beheer en ook bij het onderzoek naar twee icoonsoorten van dit type, n.l. Kleine schorseneer en Heidezegge. Het onderzoek wordt uitgevoerd door Universiteiten en de Bosgroep. Ook gaan we de effecten van enkele vormen van herstelbeheer van dit habitattype monitoren, zoals bosverwijdering op de vlindercorridor bij het Zinkgat en maaien op en naast de Rolbaan op het Braamsveld (foto).

Het belooft een interessant jaar te worden. Werk te over. Dus, nieuwe leden: van harte welkom.